Journalistiek en Mediaorganisatie

Jessica Villerius van Ruinerwold-docu: ‘Journalistiek en betrokkenheid gaan heel goed samen’

Vertrouwen is de rode draad bij de totstandkoming van de indringende documentaires van filmmaker Jessica Villerius. ‘Bij de Kinderen van Ruinerwold liet ik contractueel vastleggen dat als één van de kinderen door bijvoorbeeld paniek of angst zou worden overvallen, ze zich altijd konden terugtrekken. Een groot risico, maar dat moest vond ik.’

foto: Alek / Dit artikel verscheen in Villamedia

Jessica Villerius bezocht concertzaal de Bataclan met een bezoeker die de terroristische aanslag in Parijs overleefde, correspondeerde als enige journalist met Marc Dutroux, maakte een portret van ano­rexiapatiënt Emma – die aan haar ziekte bezwijkt – en dook in de wereld van vrouwen­­­handel en een ter dood veroordeelde. Zelf zegt ze een voorliefde te hebben voor heftige onderwerpen waarin het criminele brein of de psychiatrie centraal staat. Of allebei.

Daar is niets van te merken in het kantoor van haar bedrijf Posh Poductions, gevestigd in een rustiek achttiende-eeuws pand in Naarden-Vesting. Hoge kamers, met vergaderruimtes op de begane grond en edit-sets op de bovenverdieping. Binnen treffen we Israel aan, de jongeman die in 2019 vluchtte uit een boerderij in Ruinerwold en de wereld vertelde dat hij en zijn broers en zussen jarenlang werden vastgehouden en geterroriseerd door hun vader. Israel – die samen met zijn broers en zus zijn verhaal vertelde in Villerius’ vierluik ‘De Kinderen van Ruinerwold’ – ziet er patent uit. Hij draagt een beugel en glimlacht vriendelijk. Dan vertrekt hij fluks naar een andere ruimte.

‘Ik kan me voorstellen dat het overdonderend is om hem hier ineens te zien’, reageert Villerius op de verbaasde blik van de verslaggever. ‘Ik ken hem al twee jaar. Hij woont dichtbij en zit op school in Amsterdam. Hij heeft hier een plek waar hij lekker kan werken. Hij doet freelance wat projecten voor ons in mediatechniek. Hij is megaslim en leert ons heel veel. Hij maakt namelijk overal een studie van.’

Je begon al voor je 30e je eigen productiebedrijf, waarom eigenlijk?
‘Mijn debuutdocumentaire ging over seriemoordenaar Dutroux. Ik kwam in contact met zijn naasten en merkte hoe gevoelig het bij hen lag. Ik wilde daarom zelf verantwoordelijk zijn voor de beloften die ik deed. Bijvoorbeeld als ze toch iets uit de interviews geknipt wilden hebben wat ze mij in vertrouwen hadden verteld. Bij een omroep of een zender moet je daarover overleggen en dan is de kans groot dat zoiets erin moet blijven. Ik wilde daar zelf verantwoordelijk voor zijn. Eigenlijk heeft mijn hang naar autonomie me die beslissing doen maken. Ik ben niet per se een enorme ondernemer. Dat is nooit mijn droom geweest. Toen Dutroux terugschreef op mijn brieven wist ik dat ik iets in handen had wat ik echt bij me wilde houden. Dat typeert mij nog steeds als maker, dan kun je echt aan iedere zenderbaas vragen.’

Worden ze gek van je?
‘Ze vinden het ook wel fijn omdat ze zich nooit met mij hoeven te bemoeien. Maar soms vinden ze het moeilijk dat ik echt helemaal niks deel. Ik vertel niet waar ik mee bezig ben en waar we staan. Ik wil zeker weten dat dingen niet uitlekken of dat iemand per ongeluk uit enthousiasme iets in een vergadering roept. Ik ben daar heel secuur in. Ik doe dat voor de mensen die ik in beeld breng. Want die vertellen mij vaak alles. Bij het maken van de Ruinerwold-documentaire heb ik zelfs weinig met mijn eigen team gedeeld. Alleen de editor en ik kenden ál het beeldmateriaal.’

Het opzoeken van het kwaad is een beetje mijn comfortzone geworden.

Je documentaires gaan zonder uitzondering over zware onderwerpen.
‘Ja, dat vind ik leuk, ha ha. Als kind vond ik de menselijke geest al het meest fascinerende wat er is. Hoe het kan ontsporen, maar ook briljante dingen kan bedenken? Waarom gaat de ene links terwijl de massa rechtsaf gaat? Hoe wordt iemand gevormd door traumatische gebeurtenissen? Het laat je vaak zien dat je zelf niet zover afstaat van iemand die iets afschuwelijks heeft gedaan. Als je maar luistert.’

De meeste mensen kijken weg van ellende.
‘Je ogen sluiten is comfortabel. Het blootleggen van die donkere kant is mijn drijfveer. Het opzoeken van het kwaad is een beetje mijn comfortzone geworden. Ik kan veel beter een gesprek voeren met een seriemoordenaar dan een oppervlakkig praatje op een terras, wanneer iemand je bijvoorbeeld zomaar aanspreekt. Dat vind ik echt ingewikkelder.’

Wat opvalt in jouw werk is dat mensen vrijuit spreken, alsof ze alleen met jou zijn en zich niet bewust van de camera.
‘Ik denk dat het ook zo voelt, omdat ik nooit producers of assistenten meeneem. Alleen de cameraploeg en ik. De mensen voor de lens horen mij nooit regieaanwijzingen geven. Alle technische en creatieve zaken bespreek ik vooraf met de ploeg. Op het moment zelf ben ik met het onderwerp bezig en doet onze ploeg wat-ie moet doen omdat we al afgesproken hebben hoe het licht moet zijn, welk kleurpalet ik heb bedacht en alle duizend afwegingen die je natuurlijk samen maakt. Het helpt dat wij elkaar allemaal heel goed kennen; de camera- en geluidsmensen zijn ook mijn vrienden. Wij hebben met elkaar op achterlijke plekken over de hele wereld gestaan. Bij gevangenissen, aardbevingen. We kennen elkaars gezinnen, dus we zijn heel senang met elkaar. Ik denk dat je dat wel merkt.’

Het vertrouwen is blijkbaar zo groot dat mensen zelfs over de incest spreken die ze hebben meegemaakt, zoals Edino, de broer van Israel.
‘Ik wist natuurlijk dat die aanklacht er lag. Ik heb Edino gevraagd of dat iets was wat hij zou willen bespreken, of hij daar wel of niet aan toe was. Hij heeft er lang over nagedacht en zei uiteindelijk: “Dat wil ik wel, maar je moet me er een beetje bij helpen, want ik heb het nog nooit uitgesproken”. Ik heb hem daarom die vraag gesteld en hij hoefde dat alleen maar te bevestigen. Hij vond het achteraf heel fijn dat hij dat toch heeft kunnen zeggen. Hij heeft zelf besloten dat hij het wilde, en zei: “Als ik toch openheid van zaken geef moet ik ook dat beestje bij de naam noemen”.’

Heb je zelf een grens, denk je weleens: ‘Moet ik dit willen weten?’
‘Ik heb er zelf ook veel over nagedacht, en met hem de voor- en nadelen besproken. En natuurlijk zeg ik het is mooi – tussen aanhalingstekens – om het te vertellen, zodat zijn verhaal meer context krijgt en beter invoelbaar wordt. Aan de andere kant vind ik dat mensen zich nooit moeten opofferen voor iets of iemand. Ze moeten er vooral zelf beter van worden. En wanneer ze als bonus daarmee andere mensen helpen vind ik dat als maker heel fijn. Dat hoop ik altijd. Maar ik wil nooit dat mensen er slechter van worden.’

Kun je dat altijd beoordelen?
‘Inmiddels wel, ook op basis van ervaring. Ik weet hoe iets kan uitpakken en ik vertel het ook eerlijk als ik denk dat het voor de betrokkenen slecht kan zijn, of dat er een risico is. Het komt voor dat mensen zelf graag iets willen vertellen en ik ze adviseer om het niet doen omdat ik weet dat het hen hun hele leven zal achtervolgen. Zelfs bij grote nieuwsverhalen, waarvan ik weet dat ze mil­joenen kijkers zullen trekken.’

Je schuwt commercie niet, als het gaat om het halen van hoge kijkcijfers. Het viel me op dat in een van de delen van Ruinerwold wordt vooruitgeblikt naar het volgende deel, waarin jij aan Edino vraagt of hij seksueel is misbruikt door zijn vader. Het bevestigende antwoord is – als cliffhanger – in de volgende aflevering te zien.
‘Dat hebben we heel bewust gedaan, en in overleg met Edino. Omdat je na het kijken van de eerste aflevering anders zou kunnen denken: die kinderen zijn toch misbruikt, en ze vraagt er niet naar, wat een censuur. Ik wilde laten weten dat we het er de volgende week over zouden hebben maar wilde het niet uit de context halen. Want in de volgende aflevering krijg je een breder beeld, waarbij je hem ziet worstelen met een loyaliteitsprobleem, want ja, het is wel zijn vader. Ik vind dat mensen altijd dingen in de context moeten kunnen zien. En zo’n an­keiler is by far altijd uit de context. Daarom heb ik het ook overlegd. Ik denk nog steeds dat het heel goed is geweest. Want daardoor hebben mensen in rust gewacht totdat hij dat wel ging vertellen.’

Maar het is ook een spannende ankeiler.
‘Maar dan kan allebei toch? Het één sluit het ander niet uit. Voor mij was het een contextuele beslissing en ik realiseer me uiteraard dat het gevolg is dat mensen het willen zien. Maar dat is niet de primaire intentie. De intentie is dat mensen niet gaan zeggen: “Waarom gaat het daar niet over terwijl al bekend was dat er sprake was van incest”.’

Je besteedt ook veel tijd aan nazorg bij de mensen die je hebt geportretteerd.
‘Het is niet bij iedereen nodig. Maar met enkele mensen ben ik jaren daarna nog bezig. Ik ga ook weleens mee naar een crisisopname of bezoek een ziekenhuis. Dat vind ik ook fijn. Maar bij geestelijke nood zet ik mijn netwerk van psychiatrische hulpverleners in. En als het echt uit de hand loopt – en het niet meer alleen luisteren is – dan huren we professionals in. Dat betalen we zelf, en inmiddels kunnen we dat vaak doorrekenen naar de omroepen, omdat ook zij snappen wat de waarde daarvan is.’

Maar je bent documentairemaker; geen hulpverlener.
‘Ik denk dat het prima samen gaat: dat je journalist kunt zijn en oog kunt hebben voor iemands geestelijk welzijn. Het wordt me door journalisten wel eens verweten dat ik veel te betrokken ben. Dan zeg ik altijd: “Ah, dank je”. Ik vind dat een compliment, ik voel dat niet als een aantijging. Meer journalisten zouden betrokken kunnen zijn. Je maakt mooiere producties als je niet alleen maar bezig bent met verhalen halen, scoren en kijkcijfers. Ik vind dat allemaal zó niet relevant. Ik vind impact relevant. Dat het indruk heeft gemaakt, of zoals jij, overdonderd bent als je Israel hier tegenkomt. Dat is belangrijker dan dat er miljoenen mensen naar kijken. Natuurlijk ben ik ook blij dat er miljoenen mensen naar Ruinerwold hebben gekeken. Daar doe ik niet vals bescheiden over, want dat zegt natuurlijk ook iets over de impact.’

Hoe kijk je naar de moord op Peter R. de Vries; ook jij hebt contact met criminelen?
‘Peter nam als adviseur van Nabil B. een andere rol aan. Voor zover ik weet is hij nooit aangevallen door een moordenaar die hij heeft ontmaskerd. Dit komt uit een andere hoek, althans daar gaat iedereen nu van uit en ik – voorzichtig – ook. Journalisten worden in Nederland zelden aangevallen. Gelukkig (klopt op tafel). Tja, ik probeer het ook maar te relativeren, je wilt jezelf of anderen ook niet het gevoel geven dat dit het risico is van het vak. Ik vind het absurd wat er is gebeurd en ik hoop dat die gasten de zwaarst denkbare straf krijgen. Peter had meer lef en moed in zijn grote teen zitten dan wij allemaal bij elkaar; het is echt een moordaanslag op hem. Ik denk dat ik mezelf veel te groot zou maken als ik zou zeggen: nu voel ik me ook bedreigd.

Peter had meer lef en moed in zijn grote teen zitten dan wij allemaal bij elkaar.

Ik kende hem vrij goed, zo’n veertien jaar. Ik liet hem als eerste mijn debuutdocumentaire zien omdat ik benieuwd was naar wat hij ervan vond. Sindsdien spraken we elkaar geregeld. Ik toetste ook wel eens zaken bij hem als ik heel erg twijfelde of dacht: wat zou Peter hier van vinden? Het was heel leuk om met hem te sparren; we waren het lang niet altijd eens. We zouden binnenkort samen een onderzoek doen waarbij we ons verschil in werkwijze zouden benutten.

Ik houd me vanwege dat geweld pertinent niet met georganiseerde misdaad bezig. Ik interview wel daders. Maar er is een verschil als je een moordenaar interviewt die eenmalig iets heeft gedaan en daarvoor moet boeten, ten opzichte van mensen die met voorbedachten rade en in een repetitief patroon mensen liquideren. Mijn fascinatie richt zich veel meer op de persoon. Het individuele geval.’

Heb je veel geleerd van Ruinerwold?
‘Ik heb vooral veel bevestigd gekregen. Dat ik me niet gek laat maken door opdringerige pers die vindt dat ik dingen naar buiten moet brengen. Dat ik niet wil bezwijken onder druk van een groot nieuwsverhaal. Dat ik altijd oog wil hebben voor het leed waar mensen op dat moment in zitten. En dat die zich altijd kunnen terugtrekken. Voor Ruinerwold heb ik dat contractueel laten vastleggen. Want ik dacht: ze gaan over iets praten waar de hele wereld iets over wil weten. En misschien hebben ze het dan allemaal verteld en krijgen ze twee dagen voor uitzending ineens paniekaanvallen of komen in geestelijke nood; ik wil dan gewoon niet uitzenden. Ik heb uitgelegd hoe sterk ik daar aan hang, omdat ik hen door het hele proces zou begeleiden en ik altijd te vertrouwen moest zijn. Ik zei: “Ik ben er in de eerste plaats voor hen en niet per se voor de film.” Dat was de afspraak die we hebben gemaakt en dat was ook het risico. Het is het vernoemen waard dat BNNVARA en NPO daarin meegingen.’

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


5 × = vijf